1.
Dikkertje Dap
2.
Die maal die is negen
3.
’k Zag twee beren broodjes smeren
4.
Din din din die kwam van Brugge
5.
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
6.
Daar was laatst een meisje loos
7.
Slaap, kindje, slaap
8.
O, wat zijn wij heden blij
9.
Wel, Annemarieke, waar gaat ge naar toe?
10.
Zagen, zagen, wiede wiede wagen
11.
Zakdoekje leggen, niemand zeggen
12.
Rommelpotterij
13.
Papegaai is ziek
14.
Moeke, daar staat een vrijer aan de deur
15.
Alle eendjes zwemmen in het water
16.
In de maneschijn
17.
Als hier een pot met bonen staat
18.
En m’n één been staat
19.
Boer, wat zeg je van mijn kippen
20.
Ozewiezewoze
21.
Varen, varen over de baren
22.
Peerd van Ome Loeks
23.
Zeg, Roodkapje, waar ga je henen?
24.
Klepperman van elleven
25.
’k Zou zo graag een ketting breien
26.
Zie de boerin met de rokjes zwaaien
27.
Pippeloentje gaat naar Engeland
28.
In Holland staat een huis
29.
Ik ben geboren in Friesland
30.
Groene zwanen, witte zwanen
31.
Daar kwam een boer uit Zwitserland
32.
We maken een kringetje
33.
Drie boerenjongens
34.
Daar vaart een man op zee
35.
Mama, ’k wil een man hè
36.
En ik ben met Catootje
37.
Abraham had zeven zonen
38.
Blauwe blauwe vingerhoed
39.
Daar liep een oude vrouw op straat
40.
Wie in januari geboren is
41.
In Den Haag daar woont een graaf
42.
Marijke, Marijke
43.
Klein klein kleutertje
44.
Arabine koeterine
45.
Hansje sjokken
46.
Berend Botje
47.
Zeg, ken jij de mosselman?
48.
Solderen, solderen
49.
Mitte Confitte
50.
Schuitje varen
51.
Roe roe kindje
52.
Het regent, het regent